< ᎪᎵᏂᏗᏱ ᎠᏁᎯ ᎢᎬᏱᏱ ᎨᎪᏪᎳᏁᎸᎯ 14 >

1 ᎠᏓᎨᏳᏗ ᎨᏒ ᎢᏥᏍᏓᏩᏕᎨᏍᏗ; ᎠᎴ ᎢᏣᏚᎵᏍᎨᏍᏗ ᎠᏓᏅᏙ ᎤᎵᏍᎪᎸᏙᏗ; ᎠᏗᎾ Ꮀ ᎤᎬᏫᏳᏎᏍᏗ ᎾᏍᎩ ᎨᏣᏙᎴᎰᎯᏍᏗ ᎨᏒᎢ.
Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteren.
2 ᎩᎶᏰᏃ ᏱᎦᏬᏂᎭ ᏅᏩᎾᏓᎴ ᎤᏂᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒᎢ, ᎥᏝ ᏴᏫ ᏱᏗᎦᏬᏁᏗᏍᎪᎢ, ᎤᏁᎳᏅᎯᏍᎩᏂ; ᎥᏝᏰᏃ ᎩᎶ ᏳᏬᎵᏤᎰᎢ; ᎠᏓᏅᏙᏍᎩᏂᏃᏅ ᎬᏗ ᎦᏬᏂᏍᎬ ᎤᏕᎵᏛ ᎦᎾᎸᎪᏫᏍᎪᎢ.
Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet den mensen, maar Gode; want niemand verstaat het, doch met den geest spreekt hij verborgenheden.
3 ᎩᎶᏍᎩᏂ ᏯᏙᎴᎰᏍᎦ ᏴᏫ ᏕᎦᏬᏁᏗᏍᎪ ᏓᎵᏂᎪᎯᏍᏗᏍᎪᎢ, ᎠᎴ ᏕᎦᏂᎳᏕᎰᎢ, ᎠᎴ ᏓᎦᎵᏍᏓᏗᏍᎪᎢ.
Maar die profeteert, spreekt den mensen stichting, en vermaning en vertroosting.
4 ᎩᎶ ᏱᎦᏬᏂᎭ ᏅᏩᎾᏓᎴ ᎤᏂᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒ, ᎤᏩᏒ ᎠᏓᎵᏂᎪᎯᏍᏗᏍᎪᎢ; ᎩᎶᏍᎩᏂ ᏯᏙᎴᎰᏍᎦ ᏓᎵᏂᎪᎯᏍᏗᏍᎪ ᏧᎾᏁᎶᏗ ᎤᎾᏓᏡᎬᎢ.
Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert die sticht de Gemeente.
5 ᎣᏏᏳ ᏱᏥᏰᎸᎾ ᎢᏳᏃ ᏂᏥᎥ ᎢᎸᏍᎩ ᎢᏳᏓᎴᎩ ᏱᏗᏥᏬᏂᎭ; ᎠᏎᏃ ᎰᎤᎬᏫᏳᎭ ᏱᏣᏙᎴᎰᏍᎦ; ᎤᏟᏰᏃ ᎠᏥᎸᏉᏗᏳ ᎾᏍᎩ Ꮎ ᎠᏙᎴᎰᏍᎩ, ᎡᏍᎦᏉ ᎾᏍᎩ Ꮎ ᎢᎸᏍᎩ ᎢᏳᏓᎴᎩ ᏗᎦᏬᏂᏍᎩ, ᎢᏳᏍᎩᏂᏃᏅ ᏯᏁᏢᏗᎭ, ᎾᏍᎩ ᏧᎾᏁᎶᏗ ᎤᎾᏓᏡᎬ ᏧᎾᎵᏂ ᎪᎯᏍᏗᏱ.
En ik wil wel, dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer, dat gij profeteert; want die profeteert, is meerder dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan, dat hij het uitlegge, opdat de Gemeente stichting moge ontvangen.
6 ᎢᏳᏃ, ᎢᏓᎵᏅᏟ, ᏱᏫᏨᎷᏤᎸ ᎢᎸᏍᎩ ᎢᏳᏓᎴᎩ ᏱᏗᏥᏬᏂᎭ, ᎦᏙ ᎤᏍᏗ ᏱᏨᏁᏉᏏ, ᎢᏳᏍᎩᏂᏃᏅ ᎢᏨᏬᏁᏗᏍᎬ ᎪᎱᏍᏗ ᏱᏨᎾᏄᎪᏫᏎᎭ, ᎠᎴ ᎢᏥᎦᏙᎥᎯᏍᏗᏱ ᏱᏂᏨᏴᏁᎭ, ᎠᎴ ᏱᎦᏙᎴᎰᏍᎦ, ᎠᎴ ᏱᏗᎦᏕᏲᎲᏍᎦ.
En nu, broeders, indien ik tot u kwam, en sprak vreemde talen, wat nuttigheid zou ik u doen, zo ik tot u niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in profetie of in lering?
7 ᎾᏍᏉᏰᏃ ᎪᎱᏍᏗᏉ ᎬᏃᏛ ᏂᎨᏒᎾ, ᏳᏃᏴᎦ, ᎠᏤᎷᎯᏍᏗ ᎠᎴ ᏗᎧᏃᎩᏍᏙᏗ ᏱᎩ, ᎢᏳᏃ ᏧᏓᎴᎿᎭᎢ ᏂᏚᏃᏴᎬᎾ ᏱᎩ, ᎦᏙ ᏱᎦᎵᏍᏙᏓ ᏴᏙᎴᎰᎯ ᎾᏍᎩ ᎠᏤᎷᎯᏛ ᎨᏒ ᎠᎴ ᎾᏍᎩ ᏗᎧᏃᎩᏛ ᎨᏒᎢ?
Zelfs ook de levenloze dingen, die geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zo zij geen onderscheid met hun klank geven, hoe zal bekend worden, hetgeen op de fluit of op de citer gespeeld wordt?
8 ᎢᏳᏰᏃ ᎠᏤᎷᎯᏍᏗ ᎦᎪᎵᏍᏗ ᏂᎨᏒᎾ ᏳᏃᏴᎦ, ᎦᎪ ᏯᏛᏅᎢᏍᏓ ᏓᎿᎭᏩ ᎤᏪᏅᏍᏗᏱ?
Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?
9 ᎾᏍᎩᏯ ᎾᏍᏉ ᏂᎯ, ᎢᏳᏃ ᏗᏥᏃᎪ ᏗᎬᏗ ᎦᎪᎵᏍᏗ ᏂᏥᏬᏂᏍᎬᎾ ᏱᎩ, ᎦᏙ ᏱᎦᎵᏍᏙᏓ ᎬᏙᎴᎰᎯᏍᏗ ᏱᎩ, ᏂᏥᏪᏒ ᎢᏥᏬᏂᏒᎢ? ᎦᏃᎴᏍᎬᏰᏃ ᎢᏥᏬᏁᏗᏍᎩ ᎨᏎᏍᏗ.
Alzo ook gijlieden, indien gij niet door de taal een duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn als die in de lucht spreekt.
10 ᎾᏍᏉ ᎤᏣᏘ ᎢᏳᏓᎴᎩ ᏱᏓᏂᏬᏂᎭ ᎡᎶᎯ, ᎠᏎᏃ ᎥᏝ ᏌᏉ ᎾᏍᎩ ᎪᎱᏍᏗ ᏂᎦᏛᎬᎾ ᏱᎩ.
Er zijn, naar het voorvalt, zo vele soorten van stemmen in de wereld, en geen derzelve is zonder stem.
11 ᎾᏍᎩᏃ ᏂᎪᎵᎬᎾ ᏱᎩ ᎦᏛᎬ ᎦᏬᏂᏍᎬᎢ, ᏅᏆᏓᎴᏉ ᎾᏍᎩᏯ ᏱᎩ ᎠᏆᏓᏅᏖᏍᎬ ᎾᏍᎩ ᎦᏬᏂᏍᎩ; ᎠᎴ ᎾᏍᎩ ᎦᏬᏂᏍᎩ ᏅᏩᏓᎴᏉ ᎾᏍᎩᏯ ᏱᎩ ᎠᏴ ᏥᏯᏓᏅᏖᏍᎬᎢ.
Indien ik dan de kracht der stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt, barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal bij mij barbaars zijn.
12 ᎾᏍᎩᏯ ᎾᏍᏉ ᏂᎯ, ᎾᏍᎩ ᎤᏣᏘ ᏥᏣᏚᎵ ᏗᎦᎸᏫᏍᏓᏁᏗ ᎠᏓᏅᏙ ᎤᏓᏁᏗ ᎨᏒᎢ, ᎢᏥᏲᎮᏍᏗ ᏗᏣᏓᏓᎵᏁᎯᏕᏗᏱ ᎾᏍᎩ ᏧᎾᏁᎶᏗ ᎤᎾᏓᏡᎬ ᏗᏣᎵᏂᎪᎯᏍᏙᏗᏱ.
Alzo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zo zoekt dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der Gemeente.
13 ᎾᏍᎩ ᎢᏳᏍᏗ ᎩᎶ ᏅᏩᎾᏓᎴ ᎤᏂᏬᏂᎯᏍᏗ ᎦᏬᏂᏍᎨᏍᏗ, ᎠᏓᏙᎵᏍᏗᏍᎨᏍᏗ ᎠᏔᏲᎯᎮᏍᏗ ᎠᏥᏍᏕᎸᏗᏱ ᎤᏁᏢᏙᏗᏱ.
Daarom, die in een vreemde taal spreekt, die bidde, dat hij het moge uitleggen.
14 ᎢᏳᏰᏃ ᏱᎦᏓᏙᎵᏍᏗ ᏱᎬᏗᎭ ᏅᏩᎾᏓᎴ ᎤᏂᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒᎢ, ᎠᏆᏓᏅᏙ ᎠᏓᏙᎵᏍᏗᏍᎪᎢ; ᎠᏆᏓᏅᏛᏍᎩᏂ ᎥᏝ ᏱᎦᎾᏄᎪᏫᏍᎪ ᎣᏍᏛ ᎨᏒᎢ.
Want indien ik in een vreemde taal bid, mijn geest bidt wel, maar mijn verstand is vruchteloos.
15 ᎦᏙ ᎰᏩ ᎤᏍᏗ? ᎠᏆᏓᏅᏙ ᎬᏗᏍᎨᏍᏗ ᎦᏓᏙᎵᏍᏗᏍᎨᏍᏗ, ᎠᎴ ᎦᎪᎵᏍᏗ ᎦᏓᏙᎵᏍᏗᏍᎨᏍᏗ; ᎠᎴ ᎠᏆᏓᏅᏙ ᎬᏗᏍᎨᏍᏗ ᏕᏥᏃᎩᏍᎨᏍᏗ ᎠᎴ ᎦᎪᎵᏍᏗ ᏕᏥᏃᎩᏍᎨᏍᏗ.
Wat is het dan? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden; ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen.
16 ᎾᏍᎩᏰᏃ ᏄᏍᏛ ᏱᎩ, ᎿᎭᏉ ᎭᎵᎮᎵᏨ ᏣᏓᏅᏙ ᎲᏔᏅᎭ, ᎦᏙ ᏱᎦᎵᏍᏙᏓ ᎾᏍᎩ Ꮎ ᎾᎦᏔᎾᎥᎾ ᎤᏪᏗᏱ ᏳᏬᎳ, ᏰᎵ ᎡᎺᏅ ᏯᏛ ᎭᎵᎮᎵᎩ? ᏂᎪᎵᎬᎾᏰᏃ ᏱᎩ ᏂᏪᏍᎬᎢ.
Anderszins, indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene, die de plaats eens ongeleerden vervult, amen zeggen op uw dankzegging, dewijl hij niet weet, wat gij zegt?
17 ᏂᎯᏰᏃ ᎤᏙᎯᏳᎯ ᎣᏏᏳ ᏂᏪᎭ ᎭᎵᎮᎵᎬᎢ, ᏐᎢᏍᎩᏂ ᎥᏝ ᏳᎵᏂᎪᎯᏍᏗᎭ.
Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht.
18 ᏥᏯᎵᎡᎵᏤᎭ ᎠᏆᏁᎳᏅᎯ, ᎾᏍᎩ ᎤᏟ ᎢᎦᎢ ᏗᎬᎩᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒ ᏧᏓᎴᏅᏛ ᏗᎦᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒ ᎡᏍᎦᏉ ᏂᎯ ᏂᏥᎥᎢ;
Ik dank mijn God, dat ik meer vreemde talen spreek, dan gij allen;
19 ᎠᏎᏃ ᏧᎾᏁᎶᏗ ᎤᎾᏓᏡᎬ ᎤᏟ ᎬᎩᏰᎸᏗ ᎾᎿᎭᎯᏍᎩᏉ ᎢᎧᏁᏨᎯ ᎠᎩᏁᎢᏍᏗᏱ ᎠᏆᏓᏅᏛ ᎠᏋᏙᏗᏱ, ᎾᏍᎩ ᏅᏩᎾᏓᎴ ᎾᏍᏉ ᎦᏥᏰᏲᏗᏱ, ᎠᏃ ᎠᏍᎪᎯ ᎢᏯᎦᏴᎵ ᎢᎧᏁᏨᎯ ᎠᎩᏁᎢᏍᏗᏱ ᏅᏩᎾᏓᎴ ᎤᏂᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒ ᎠᏋᏙᏗᏱ.
Maar ik wil liever in de Gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde taal.
20 ᎢᏓᎵᏅᏟ, ᏞᏍᏗ ᏗᏥᏲᎵ ᏱᎨᏎᏍᏗ ᏕᏣᏓᏅᏛᎢ; ᎠᏓᏍᎦᎢᏍᏗᏍᎩᏂᏃᏅ ᎨᏒ ᏗᏥᏲᎵ ᎨᏎᏍᏗ, ᏕᏣᏓᏅᏛᏍᎩᏂ ᏗᏣᏛᎾᏯ ᎨᏎᏍᏗ.
Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.
21 ᏗᎧᎿᎭᏩᏛᏍᏗᏱ ᎯᎠ ᏂᎬᏅ ᎪᏪᎳ, ᏅᏩᏓᎴ ᏗᏂᏬᏂᏍᎩ ᎠᎴ ᏅᏩᏓᎴ ᏧᏂᎭᏁᎦᎵ ᏓᎦᏥᏴᏔᏂ ᎦᏓᏥᏬᏁᏔᏂ ᎯᎠ ᎾᏍᎩ ᏴᏫ; ᎠᏎᏃ ᎠᏏ ᎥᏝ ᏱᎬᏆᏛᎦᏁᎮᏍᏗ, ᎠᏗᎭ ᏱᎰᏩ.
In de wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen, en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook alzo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heere.
22 ᎾᏍᎩᏃ ᏧᏓᎴᏅᏛ ᏗᎦᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒ ᎪᎯᏳᏗᏍᎩ ᎠᏰᎸᎭ, ᎥᏝ ᎠᏃᎯᏳᎲᏍᎩ ᎤᏃᎯᏳᏓᏁᎯ ᏱᎩ, ᎠᏍᎩᏂ ᎠᏃᎯᏳᎲᏍᎩ ᏂᎨᏒᎾ; ᎠᏙᎴᎰᎯᏍᏗᏍᎩᏂ ᎨᏒ ᎥᏝ ᎠᏃᎯᏳᎲᏍᎩ ᏂᎨᏒᎾ [ ᎤᏃᎯᏳᏓᏁᎯ ] ᏱᎩ, ᎠᏃᎯᏳᎲᏍᎩᏍᎩᏂ.
Zo dan, de vreemde talen zijn tot een teken niet dengenen, die geloven, maar den ongelovigen; en de profetie niet den ongelovigen, maar dengenen, die geloven.
23 ᎾᏍᎩᏃ ᏥᏄᏍᏗ ᎢᏳᏃ ᏧᎾᏁᎶᏗ ᎤᎾᏓᏡᎬ ᏂᎦᏛ ᎢᎸᎯᏢ ᏱᏚᏂᎳᏫᏦᏅ, ᎠᎴ ᏂᎦᏛ ᏧᏓᎴᏅᏛ ᏗᎦᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒ ᏱᏓᏂᏬᏂᎭ, ᏳᏂᏴᎵᎸᏃ ᎾᎿᎭᏂ ᎾᏂᎦᏔᎾᎥᎾ, ᎠᎴ ᎠᏃᎯᏳᎲᏍᎩᏂ ᏂᎨᏒᎾ, ᏝᏍᎪ ᏚᏂᎸᏃᏘᎭ ᏴᎬᎾᏛ?
Indien dan de gehele Gemeente bijeenvergaderd ware, en zij allen in vreemde talen spraken, en enige ongeleerden of ongelovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen, dat gij uitzinnig waart?
24 ᎢᏳᏍᎩᏂ ᏂᎦᏛ ᏯᎾᏙᎴᎰᏍᎦ, ᏳᏴᎵᎸᏃ ᎩᎶ ᎪᎯᏳᎲᏍᎩ ᏂᎨᏒᎾ, ᎠᎴ ᎩᎶ ᎾᎦᏔᎾᎥᎾ, ᎾᏂᎥ ᎬᏬᎯᏳᏓᏁᎰᎢ, ᎠᎴ ᎾᏂᎥ ᏕᎬᏭᎪᏓᏁᎰᎢ;
Maar indien zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld.
25 ᎾᏍᎩᏃ ᎤᏕᎵᏛ ᎤᏍᏆᏂᎪᏛ ᎤᎾᏫᏱ ᎬᏂᎨᏒ ᏱᏂᎦᎵᏍᏓ; ᎾᏍᎩᏃ ᏯᎵᏰᏍᏚᎲᎦ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᏯᏓᏙᎵᏍᏓᏏ, ᎠᎴ ᏱᏕᎦᏃᏣᎸᎦ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᎤᏙᎯᏳᎯᏯ ᎢᏣᏓᏑᏴᎢ.
En alzo worden de verborgene dingen zijns harten openbaar; en alzo, vallende op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen, dat God waarlijk onder u is.
26 ᎦᏙ ᎰᏩ ᎤᏍᏗ, ᎢᏓᎵᏅᏟ? ᎢᏳᏃ ᏕᏥᎳᏫᎩ, ᎢᏥᏏᏴᏫᎭ ᏗᎧᏃᎩᏛ ᎢᏣᏛᏅᎢᏍᏙᎢ, ᏗᏕᏲᏗ ᎢᏣᏛᏅᎢᏍᏙᎢ, ᏧᏓᎴᏅᏛ ᏗᎦᏬᏂᎯᏍᏗ ᎢᏣᏛᏅᎢᏍᏙᎢ, ᎬᏂᎨᏒ ᎢᎬᏁᏗ ᎢᏣᏛᏅᎢᏍᏙᎢ, ᎠᏁᏢᏙᏗ ᎢᏣᏛᏅᎢᏍᏙᎢ. ᏂᎦᏛ ᎠᏗᎾ ᏕᏥᎸᏫᏍᏓᏁᎲ ᏗᏣᏓᎵᏂᎪᎯᏍᏙᏗᏱ ᎤᎬᏩᎴᏍᏗ.
Wat is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting;
27 ᎢᏳᏃ ᎩᎶ ᏅᏩᎾᏓᎴ ᏧᏂᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒ ᏱᎦᏬᏂᎭ, ᎠᏂᏔᎵ, ᎠᎴ ᏦᎢ ᎢᏴᏛ ᏩᏍᏕᏍᏗ ᏓᏂᏬᏂᏎᎨᏍᏗ ᏌᏉ ᎤᏪᏒᏛ; ᎠᏏᏴᏫᏃ ᎠᏁᏢᏗᏍᎨᏍᏗ.
En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten meeste drie geschiede, en bij beurte; en dat een het uitlegge.
28 ᎢᏳᏍᎩᏂ ᎠᏁᏢᏗᏍᎩ ᏁᏙᎲᎾ ᎢᎨᏎᏍᏗ, ᎡᎳᏪᏉ ᎤᏩᏎᏍᏗ ᏧᎾᏁᎶᏗ ᎤᎾᏓᏡᎬᎢ; ᎤᏩᏒᏉ ᎠᏓᎵᏃᎮᏗᏍᎨᏍᏗ, ᎠᎴ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᎠᎵᏃᎮᏗᏍᎨᏍᏗ.
Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelven spreke, en tot God.
29 ᎠᎾᏙᎴᎰᏍᎩ ᎠᏂᏔᎵᎭ ᎠᏂᏬᏂᏍᎨᏍᎩ, ᎠᏂᏐᎢᏃ ᏓᏄᎪᏗᏍᎨᏍᏗ.
En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen.
30 ᎢᏳᏃ ᎪᎱᏍᏗ ᏯᏥᎾᏄᎪᏫᏎᎸ ᎩᎶ ᎾᎥ ᎤᏬᎵ, ᎢᎬᏱ ᎤᎴᏅᏛ ᎡᎳᏪ ᎬᏍᎨᏍᏗ.
Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.
31 ᏂᏥᎥᏰᏃ ᏰᎵ ᎨᏥᏙᎴᎰᎯᏍᏗ ᏌᏉ ᎤᏪᏒᏛ; ᎾᏍᎩ ᎾᏂᎥ ᎤᎾᏕᎶᏆᏍᏗᏱ, ᎠᎴ ᎾᏂᎥ ᎤᏂᎦᎵᏍᏓᏗᏍᏗᏱ.
Want gij kunt allen, de een na den ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden.
32 ᎠᎴ ᎠᎾᏙᎴᎰᏍᎩ ᏧᎾᏤᎵ ᏗᏓᏅᏙ ᏓᏃᎯᏳᎲᏍᎪ ᎠᎾᏙᎴᎰᏍᎩ.
En de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen.
33 ᎤᏁᎳᏅᎯᏰᏃ ᎥᏝ ᏧᏓᎴᏅᏛ ᎨᏒ ᎢᎬᏁᎯ ᏱᎩ, ᏅᏩᏙᎯᏯᏛᏍᎩᏂ ᎨᏒᎢ, ᎾᏍᎩᏯ ᏥᏄᏍᏗ ᏂᎦᏛ ᏚᎾᏓᏡᏩᏗᏒ ᎤᎾᏓᏅᏘ.
Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.
34 ᎠᏂᎨᏴ ᏗᏣᏤᎵ ᎡᎳᏪᏉ ᎤᏅᏎᏍᏗ ᏧᎾᏁᎶᏗ ᏚᎾᏓᏡᏩᏗᏒᎢ; ᎥᏝᏰᏃ ᎨᎦᎵᏍᎪᎸᏓᏁᎸᎯ ᏱᎩ ᎾᏍᎩ ᎤᏂᏬᏂᎯᏍᏗᏱ; ᎤᏃᎯᏳᏗᏱᏉᏍᎩᏂ, ᎾᏍᎩᏯ ᎾᏍᏉ ᏥᏂᎦᏪ ᏗᎧᎿᎭᏩᏛᏍᏗ.
Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.
35 ᎢᏳ ᎠᎴ ᏳᎾᏚᎵ ᎪᎱᏍᏗ ᎤᎾᏕᎶᏆᏍᏗᏱ, ᏗᎬᏩᏂᏰᎯ ᏧᎾᏛᏛᎲᏍᎨᏍᏗ ᏙᏧᏁᏅᏒᎢ; ᎤᏕᎰᎯᏍᏗᏳᏰᏃ ᎠᏂᎨᏴ ᎤᏂᏬᏂᎯᏍᏗᏱ ᏧᎾᏁᎶᏗ ᎤᎾᏓᏡᎬᎢ.
En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.
36 ᏥᎪ ᏂᎯ ᎢᏤᎲ ᏧᏓᎴᏁ ᎧᏃᎮᏛ ᎤᏁᎳᏅᎯ ᎤᏤᎵᎦ? ᏥᎪᎨ ᏂᎯᏉ ᎢᏨᏒ ᎢᏥᎷᏤᎴᎢ?
Is het Woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen?
37 ᎢᏳᏃ ᎩᎶ ᎠᏓᏅᏖᏍᎬ ᎦᏙᎴᎣᏍᎩ ᎠᎴ ᎠᏓᏅᏙ ᎤᏓᏁᏗ ᎠᎩᎯ ᎢᎡᎵᏍᎨᏍᏗ, ᎾᏍᎩ ᎬᏂᎨᏒ ᏂᎬᏁᎮᏍᏗ ᎾᏍᎩ ᎯᎠ ᏥᏫᏨᏲᏪᎳᏁᎭ ᎤᎬᏫᏳᎯ ᎤᏁᏨᎯ ᎨᏒᎢ.
Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijke, die erkenne, dat, hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.
38 ᎢᏳᏍᎩᏂ ᎩᎶ ᎾᎦᏔᎲᎾ ᎢᎨᏎᏍᏗ, ᎤᏁᎳᎩᏉ ᎾᎦᏔᎲᎾ ᎨᏎᏍᏗ.
Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend.
39 ᎾᏍᎩ ᎢᏳᏍᏗ ᎢᏓᎵᏅᏟ, ᎢᏣᏚᎵᏍᎨᏍᏗ ᎢᏣᏙᎴᎰᎯᏍᏗᏱ, ᎠᎴ ᏞᏍᏗ ᏱᏥᏅᏍᏙᏍᎨᏍᏗ ᎦᏬᏂᎯᏍᏗᏱ ᏧᎾᏓᎴᏅᏛ ᏧᏂᏬᏂᎯᏍᏗ ᎨᏒᎢ.
Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken.
40 ᏂᎦᏛ ᏕᏥᎸᏫᏍᏓᏁᎲ ᎤᏬᏚᎯ ᎠᎴ ᎣᏍᏛ Ꭰ’ᏱᎸᏛ ᎨᏎᏍᏗ.
Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.

< ᎪᎵᏂᏗᏱ ᎠᏁᎯ ᎢᎬᏱᏱ ᎨᎪᏪᎳᏁᎸᎯ 14 >